Strong And Irregular Verbs
Present Tense Past Tense
English Infinitive 1st person 2nd person 3rd person Plural Singular Plural Present Participle Past Participle Imperative
to bring brengen breng brengt brengen bracht brachten brengend gebracht breng
to do doen doe doet doen deed deden doend gedaan doe
to eat eten eet eten at aten etend gegeten eet
to go gaan ga gaat gaan ging gingen gaand gegaan ga
to believe geloven geloof gelooft geloven geloofde geloofden gelovend geloofd geloof
to enjoy genieten geniet genieten genoot genoten genietend genoten geniet
to give geven geef geeft geven gaf gaven gevend gegeven geef
to have hebben heb hebt heeft hebben had hadden hebbend gehad heb
to choose kiezen kies kiest kiezen koos kozen kiezend gekozen kies
to come komen kom komt komen kwam kwamen komend gekomen kom
to buy kopen koop koopt kopen kocht kochten kopend gekocht koop
to get, receive krijgen krijg krijgt krijgen kreeg kregen krijgend gekregen krijg
to go (by foot) lopen loop loopt lopen liep liepen lopend gelopen loop
have to, must moeten moet moeten moest moesten moetend gemoeten moet
to hit, slap slaan sla slaat slaan sloeg sloegen slaand geslagen sla
to sleep slapen slaap slaapt slapen sliep sliepen slapend geslapen slaap
to speak spreken spreek spreekt spreken sprak spraken sprekend gesproken spreek
to know weten weet weten wist wisten wetend geweten weet
to become worden word wordt worden werd werden wordend geworden word
to say zeggen zeg zegt zeggen zei or zegde zeien or zegden zeggend gezegd zeg
to see zien zie ziet zien zag zagen ziend gezien zie
to go zijn ben bent is zijn was waren zijnd geweest ben, wees
to look for zoeken zoek zoekt zoeken zocht zochten zoekend gezocht zoek
Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License